ERIEK VERPALE VERTELT OVER ZIJN RELATIE MET KRIS DE BRUYNE
Het hoofdstuk van ERIEK VERPALE.

Mirwart
Eriek Verpaele. Brussel, 1994

Openingstoespraak op de persconferentie van de cd MIRWART ergens in 1994 in La Luna, Brussel.

Verklaring:

Ik ben een schrijver, dat wil zeggen: een arme krabber die met woorden iets probeert te maken waardoor mensen ontroerd geraken. Sommigen noemen het kunst, anderen niet.
Omdat ik niet kan leven van mijn kunst, werk ik halftime op een fabriek. Ik beschouw mezelf daarom in de allereerste plaats als arbeider.
Ik wil hieraan toevoegen dat ik niet zoveel verstand van kunst heb, erger nog: ik háát wat ze bij ons zo graag "artiesten" noemen. Doorgaans lieden die hun benzine op de lat kopen en elkanders vrouw afpakken.
Van dichters moet ik al helemaal niet weten: zet drie dichters samen, en na ongeveer vierenveertig minuten krijgen ze al ruzie, want de ene heeft dan in het voorbije jaar veertien bundels, en de andere zeventien bundels verkocht.
Van schilders hou ik wel: zij drinken. Helaas ken ik geen schilders persoonlijk.
Beeldhouwers hebben altijd zeer veel woest haar - ik niet - en architecten zijn altijd stinkend rijk en rijden in blaffeturen van voituren.
Ik niet.
Onder het ras van de artiesten zijn er daarom twee soorten die ik tot mijn broeders wens te rekenen: de met uitsterven bedreigde caverteller, én de zanger of muzikant.
De eerste maakt het leven draaglijk, de tweede maakt het leven mooi.

Dames, Heren, Beminde Kunstbroeder Kris, Amici,

Toen ik, inmiddels al zoiets meer dan een jaar geleden benaderd werd - ik ben voor het ogenblik vergeten door wie - maar toen ik iets meer dan een jaar geleden benaderd werd met het verzoek een liedje te schrijven voor één of andere Vlaamse zanger, of in ieder geval voor een Vlaamse formatie, toen was mijn eerste gedachte: neen, dat doe ik niet, want dat kan ik niet.
Ooit, in een vorig leven, heb ik wel 's liedjes geschrven, dus daar ging het niet om, maar uit dat vorig leven herinner ik me vooral dat ze één keer op de radio werden gedraaid, en toen stond de telefoon bij Omroep Limburg al roodgloeiend: of ik er alstublieft mee wilde ophouden.
Nu goed, misschien lag het niet aan mij, maar aan onze gelegenheidsformatie die we, onze gekte en drankmisbruik indachtig, "The White Spirits" hadden gedoopt.
Dus aanvankelijk weigerde ik.
Maar een mens is maar een mens: toen mij samenwerking met nota bene de Hásseltse Axelle Red in het vooruitzicht werd gesteld, toen twijfelde ik: laat ons zeggen dat ik verkocht was. Ik dacht: misschien dat ze het in het Frans niet verstaan wat ik eigenlijk geschreven heb.
En bovendien: Axelle Red, nietwaar.
(Isabelle A. was me toen al afgesnoept door mijn dierbare collega Herman Brusselmans).
Maar goed: om een lang verhaal kort te houden van heel die Axelle Red kwam niets in huis.
Ik herinner mij nog alsof het gisteren was dat ik van Firmin Timmermans een telefoontje kreeg met het verzoek of ik, in noodgeval, dan niet met Kris de Bruyne scheep wilde gaan.(1)

Nu gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat er, althans uiterlijk, weinig overeenkomsten zijn tussen Kris de Bruyne en Axelle Red, maar diezelfde eerlijkheid gebiedt mij ook te zeggen dat ik onmiddellijk door een zeer grote schroom werd overvallen: schrijven voor Axelle Red kon dan misschien wel leuk zijn uitgevallen, maar schrijven voor Kris de Bruyne beschouwde ik meteen, en beschouw ik nog steeds, als een bijzonder grote eer: bijna zoiets als voor de meester zijn potloden mogen snijden.
Maar dit terzijde.

Als de dag van gisteren - het spijt me dat dit een weinig originele formulatie is - maar bijna als de dag van gisteren herinner ik mij onze eerste bijeenkomst: ik aan de ene kant van de tafel, de meneer van een aantal onsterfelijke chansons (hijzelf noemt het "liekes") aan de andere kant van de tafel.
We spraken over van alles en nog wat, dus eigenlijk over hetzelfde.
Ik bedoel: het klikte tussen ons, of om Kris te citeren: uit hetzelfde hout gesneden.(2)
De schroom om voor Kris een liedje te schrijven blééf, maar ik deed mijn best. En wat hij ervan maakte kunnen jullie allemaal horen op de cd die heden, vandaag, boven de muzikale doopvont wordt gehouden.(3)
Zo, Dames en Heren, Amici, hebben wij elkaar leren kennen.

En nu de cd.
Ik weet niet zo goed wat ik over deze cd moet zeggen, zonder in de bekende clichés van "mooi", "aangrijpend", "muzikaal zeer sterk" te vervallen. Ik bedoel: ik ben maar een schrijver en kan slechts met veel moeite "De Onverbiddelijke Zoener" neuriën.
Wat mij al jaren opvalt, en wat mij ook in de teksten die op déze cd staan opvalt, dat is: dat Kris de Bruyne een zeer literaire tekstschrijver is: ik zie menig Vlaams Tien om te Ziener en Geen om te Horen niet onmiddellijk een tekst als "Twee in één" of "Meisje in het Blauw" schrijven.
Mij heeft het ook altijd verbaasd dat de teksten van Kris de Bruyne zo vol literaire verwijzingen zitten: van Paustowskij tot en met "Bonjour Tristesse".

Ik weet het: ik begeef me op glad ijs.
Want in dit apenland mag je álles over een zanger vertellen, zélfs dat hij misschien van de Verkante Keer is, maar één iets mag je fatsoenlijkheidshalve nooit luidop zeggen: dat hij volmaakt "literaire" teksten schrijft.

Ik wil er meteen op wijzen dat ik onder de term "literaire" teksten diep-menselijke teksten versta, en niet het bekende geouwehoer waar geen mens, laat staan een luisteraar, nog een touw aan kan vastknopen. Ik pleeg, hoop ik, geen heiligschennis door te poneren dat zowel tekst, inhoud dus, als stijl, vertolking, bij mij herinneringen oproepen aan het beste van Bob Dylan.
Natuurlijk is Kris de Bruyne door Bob Dylan beïnvloed: ook zijn teksten waren en zijn wat ik daar zo-even literair genoemd heb.

Maar er is meer.
Er is de rauwe Kris de Bruyne, er is de cynische Kris de Bruyne, er is de intens weemoedige Kris de Bruyne.
Ik weet niet voor dewelke ik moet kiezen.
Voor de man die desnoods alles wil weggeven, behalve zijn "Akubra", of voor de gestresseerde "Monsieur Desdames": een woordspeling is bij Kris de Bruyne nooit veraf.

Ik heb, bij gebrek aan beter, de "liekes" zoals hij ze zelf noemt - ik heb de teksten, de liedjes van Kris de Bruyne al chansons genoemd.
Nu mag je in dit apenland van een zanger enzoverder álles zeggen, behalve dat hij: chansons schrijft.
Maar het helpt misschien wanneer ik mij verduidelijk: onder chansons versta ik dié dingen die beklijven, die aan de ribben blijven plakken, die mooi zijn, die een zekere eeuwigheidswaarde hebben omdat ze doodeerlijk zijn en iets raken in wat ik gemakshalve maar als de mens, die vent, deine pé zal omschrijven.
Dát bedoel ik met chansons.
Iemand anders zou het in dit geval misschien over blues hebben.
En hiermee wil ik ook eindigen.

Er is weinig waardoor ik nog de tranen in de ogen krijg.
Ik kan alles zien: zaterdagavondmannen die in de videotheek hun laatste centen op de toog uitstorten om een pornofilm te huren.
Geen probleem: mijn ogen blijven droog.
Ik kan gemakkelijk zien hoe iemand zijn zelfgekweekte konijnen de strot oversnijdt.
Ik heb geen compassie meer met vrouwen bij wie de mis-en-plis is mislukt.
Ik ben hard geworden.
Ik draag altijd een mes - om maar iets te zeggen.
Maar 's nachts, helemaal alleen in mijn huis in het verre Zelzate naar "Wannes Van De Velde Blues" luisteren.
Neen, laat maar.

Hij de meester, ik de volgeling.

NVDR
1. Voor een live BRT tv-optreden op de Groenplaats in Antwerpen in de campagne "Stad onder Stroom", waarbij schrijvers en zangers/muzikanten samen een gelegenheidsrepertoire creëerden, onder leiding van Firmin Timmermans/LSP-Band.
2. Kris is van in het begin een grote fan geweest van Eriek Verpale en had reeds lang zijn boeken. "Uit hetzelfde hout gesneden": uit Twee in Eén van de cd Mirwart.
3. "Mazl Tov in deze Stad".

[TERUG]