VERHALEN, VERZINSELS, etc
Het hoofdstuk van KRIS DE BRUYNE.

Fragmenten, verhalen & verzinsels, gedichten & gedachten
Kris de Bruyne.

En andere vormen van onledigheid uit Kris de Bruynes nooit eerder gepubliceerde dagboeken

Part I

Het Guernica van mijn jeugd, met de stad Antwerpen als decor, heeft zich voornamelijk afgespeeld in drie colleges; een in de binnenstad en twee in de buitenwijken. Stuk voor stuk degelijke instellingen waar de vroomheid, de ernst en de goede opvoeding die men daar genieten zal eenmaal in de banken gezeten met de armen gekruist en de billen samengeknepen van angst van die zo typisch karakterloze schoolgevels afstraalde.
In chronologische volgorde van "buitengooien" - ik kwam telkens schoorvoetend bij mijn vader met op dat briefje van de rector of de directeur steeds hetzelfde: "omdat de mentaliteit van Uw zoon Kristiaan niet Harmonisch Samengaat met de Doelstellingen van Ons College" - het Sint Xaverius-college, het Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdes-college, het Sint Norbertuscollege.

Sint Xaverius in Borgerhout: vier maal per dag met de fiets vijf kilometer afleggen (Wiet Van Broeckhoven, waar ben je gebleven?) naar de Jezuïeten om dag in dag uit geconfronteerd te worden met katholieke schijnheiligheid van het Zuiverste Water. Ze hadden er wel houtskooltekeningen van Alfred Oste op de muren, levensgrote, vergeelde afbeeldingen van stoere strijdtaferelen en Heiligen, het enige mooie wat het college te bieden had.
Regelmatig werd ik door een of andere pater uitgenodigd "om na de les bij hem op zijn kamer te komen". Ik de lange lege gangen door, met kloppend hart voor de komende bestraffing, na het korte "ja" de deur openen en binnengaan in de muf ruikende cel waar pater in kwestie, achteroverleunend in zijn zetel en met vuurrode kop mij lafhartig "voorlichtte", de ogen glazig alsof hij in mij reeds de Heilige Sint Sebastiaan zelf zag, ontkleed en gepijnigd, terwijl hij met de rechterhand koortsachtig op en neer gaande bewegingen maakte alsof hij daaronder zijn kleed een hoop kloosterluizen te lijf ging, dan het langgerekte aaahh bij de verlossing. Nadien een boel bezwerende uitspraken die als doel hadden mij te verwittigen voor en te vrijwaren van de zonde des vlezes, het verhaal van het ruggenmerg, de blindheid, uiteraard een beschrijving van de Deugdelijkheid van de Onbevlekte Maagd, enzovoort enzovoort.
Als kind trap je daar natuurlijk in, moest ik al geweten hebben waarover het in feite ging. Later stelde ik mij voor, toen ik begrépen had wat er met "onkuisheid" bedoeld werd en dus die vreemde bewegingen kon thuisbrengen (nou ja), wat voor een mooie troep het daar moest zijn onder die patersrokken, en dat, als het verhaal van het ruggenmerg en die andere verschrikkelijke lichamelijke ziektes niet gelogen was, die kloosterordes op zijn minst 'n bende lepralijders moest zijn.

(...)
De fundamentele oneerlijkheid waartegen ik elke dag opbotste riep bij mij nogal vlug rebellerende gevoelens op. Ik was al geen briljant leerling, en al helemaal niet in de wiskundige vakken oh, uren van machteloze woede en vernedering en ik had een hekel aan de collectieve verplichte sportnamiddagen. Hardlopen, voetbal, en weet ik veel, andere "mannelijke" activiteiten die door de andere leerlingen zo fanatiek bedreven en nadien in klasverband besproken werden, interesseerden mij geen snars. De zo listig aangemoedigde concurrentiestrijd, de godsdienstige indoctrinaties, de dwang tot studiebezieling, ik begreep het allemaal niet.
Het bezorgde mij een totale afkeer van alles wat met school en studeren te maken had. Het bezorgde mij vooral een gevoel van abnormaliteit en als dusdanig werd ik behandeld.
Geen van mijn klasgenoten vond ik bereid ingewijd te willen worden in de toverachtige Karl May-wereld waarin ik mij verschuilde. Ik verslond de boeken van Jules Verne en daar leden de studies nogal onder. Ik behaalde steeds slechtere resultaten en "De Scheepsjongens van Bontekoe" van Johan Fabricius waren er de oorzaak van dat ik het eerste jaar van de humaniora over moest doen. Weer bij diezelfde pater, het geleuter met de machtsverheffingen, waardeloze rommel over God en Kerk, het zondaar zijn, het werd er elke dag opnieuw ingepompt en mijn toch al te kwetsbare gevoelsleven raakte helemaal uit evenwicht.
Ik moet een vereenzaamd, agressief kereltje geworden zijn, want ik herinner me dat ik minder gezaghebbende leerkrachten genadeloos sarde. Tot op de dag dat een hysterische aanval van "die van boekhouden" - ik had hem zo ver gekregen dat hij schreiend, op zijn knien tussen de banken kruipend, met de handen Ten Hemel gevouwen, mij om Genade smeekte - mij zo mateloos van medelijden en wroeging vervulde; ik inzag op die manier geen wraak te kunnen uitoefenen op de hele organisatie, enkel maar één zwakkere het leven vergalde, zodat ik met dat gesar definitief ophield.
Ik droomde er al jaren van plastische kunsten te gaan studeren en dat zou ik later ook gaan doen, daarbij geholpen door mijn oudere broers Joost en Koen, die lang voor mij schilderkunst en muziek aan 't studeren waren.

(...)
Later begon ik het uitgaansleven te ontdekken. Ik vond de binnenstad, 's nachts met al die lichtjes en die schone rivier en die wirwar van buitenlanders fascinerend en vooral bij heel koud weer liep ik als jonge knaap graag van het Centraal Station richting Grote Markt, om in de zogenaamde slechte buurt mijn vage, naar avontuur verlangende slentertochten te maken.
Ferre Grignard had net zijn eerste eigen geperste "Ring, Ring, Ive got to Sing" uitgebracht, en daarmee had het Antwerpse artiestenmilieu - waar ik me nogal verbonden mee voelde, zij het van op afstand - zijn eigen idool en zijn eigen protest laten horen. Romantisch, vond ik dat, de met provo's (nee, geen vopo's) en beatniks bevolkte bruine kroegen, de met Kerouac en Ginsberg vers in het achterhoofd ongewassen outsiders met hun blonde Brigitte Bardot-liefjes.

(...)
In plaats van de reeds gevestigde Beatles luisterden wij naar Big Bill Broonzy, John Lee Hooker, Woody Guthrie, Sleepy John Estes, Bob Dylan, dat was toch al wat. Er werd gestoeid met de gevreesde drugs, er werden katten gegeten, maar er werden ook gedichten geschreven, muziek gemaakt, schilderijen, action paintings
Ik had mijn uitlaatklep, mijn leven gevonden.

(...)
Mijn eerste verliefdheden reten mij open als een bom. Ik ontdekte het bestaan van verwarrende, dat wel, maar voor de rest echte, eerlijke gevoelens die hoegenaamd niéts te maken hadden met die Met Speeksel Geprevelde Gebeden die de Ziel Reinigen en de Hemel Openen.
De eerste meisjes: de onstuitbare geestdrift van het heimelijk beminnen, de vluchtige afspraakjes, die goddelijke bruine en blauwe ogen, handjes vasthouden, en dan, het onhandig zoenen.
Maar later natuurlijk het verstrengelend geklapwiek van armen en benen, het grote meisjesgeheim ontsluierend, het weten met twee.
En na het onvermijdelijke "'t Is af", de scheiding, het vermorzelend verdriet, het-weer-voor-eeuwig-alleen-zijn.

(...)
Jaren later zouden de wonden uit mijn kindertijd weer opengaan, en zou ik in Sint Lukas in Brussel, waar mijn werken toch voor vol werden aanzien door leraars en klasgenoten, weer vol twijfel voor mijn tekeningen en mijn schilderijen staan, moedeloos, verslagen, als een stilleven: het individu met houtskool, met een tot vechtlust bereide maar niet tot vertalen gemachtigde hand, die krassend krijt breekt op het papier.

Ik noteerde in die tijd op een papiertje:
"Ik merk dat ik nog altijd even moeilijk in gesprek geraak met mijn omgeving. Nu de avondschemering het buiten nog wat grijzer maakt op deze toch al regenachtige dag, nu de verkeersdrukte met haar overvolle bussen en trams, met haar ontelbaar aantal personenwagens en zenuwachtig gemanoeuvreer de mensen naar huis brengt, overvalt mij, zoals steeds op dit uur, een eindeloos verscheurende weemoed. Ik zal straks minutenlang met de nagel van mijn middenvinger een ingebeeld ritme op de zitting van mijn stoel tikken, tot ik er rotzenuwachtig van word, alsof ik dat al niet was. En er mee ophou."

April 1987.
Fragmenten uit de herinnerings-dagboeken van Kris de Bruyne.


Gedichten

Ach, was ik maar een koe zonder gedachten
ik zou heel dikwijls grazen
en in de vroege vooravond
een klein beetje kaka doen.
Niemand zou op me kwaad zijn,
't wordt zelfs van me verwacht,
als ik er af en toe in trap.
Oktober 81.


De dingen des levens.
Wij verkrachten onze kinderen
wij pijnigen onze vrouwen
wij schoppen eens de hond
om dan daarna
heel teder en gelukkig
(met hele fijne vrienden)
een borreltje te drinken
in een gedistingeerd café.
November 81.


Ik ben Willem Gotschalck van Foquenbroch
en ik heb een hele mooie naam
ik schrijf je nu een brief, madame,
waarin alle dingen staan
die ik nooit dorst te vertellen
die ik je steeds verzwegen had
maar nu je lieve lijf, madame,
ten prooi is van de wellust
wil ik niet langer lijden
ik ben van je gescheiden
zoals het koren van het kaf.
15-juli-82.


's Avonds lees ik graag een boek
ontvang liever geen bezoek
's avonds drink ik een fles wijn
waarvoor ik heel alleen wil zijn
's avonds denk ik veel aan haar
en vraag me af voor wie en waar
zij haar benen openspreidt
ja 's avonds heb ik altijd spijt

Ik was haar middel, zij mijn doel
zij de hersens, ik 't gevoel
28-12-83


Part II

"You gonna have a good time", zei Sharon tegen mij. Ik was pas aangekomen in Ridgefield-Connecticut. Sharon, schoon bruinogig meisje kwam eens kijken naar die broer van "Rita Diebroenie", zoals men aldaar onze familienaam uitsprak.
Rita Diebroenie - Rita, die als kind nog lessen had gevolgd van Senne Rouffaer; nadien gespeeld, geacteerd, een eigen theatergezelschap opgericht in Connecticut; fotomodel geweest; later psychiater geworden met een dubbele praktijk en daarover bij haar jaarlijkse bezoeken in België werd geïnterviewd door radio, kranten, weekbladen - tussen kappen en vijlen en polijsten van haar Italiaanse en Marokkaanse marmeren beeldhouwwerken door, was naar Europa voor een bezoek aan mijn moeder in Mortsel-Belgium-Europe en ondertussen lag ik daar op een nacht in een houten huis tussen die typische New England-naald- en loofbomen in een buitenaards-boven-onder-links-rechts-diagonaal-orkaan, een bliksemstorm, regen, regen, bliksem, donder, gekrijs en gehuil van de wind, minutenlang stroboscopisch bliksemlicht in de kamer; eeuwenoude eiken, telegraafpalen, stukken rots werden omgerukt en meegesleurd; en ik huilde van de angst en van de in Europa achtergelaten eenzaamheid; zo'n storm had ik nog nooit meegemaakt - en dat terwijl er later nog andere, sterkere natuurelementen boven mijn hoofd hingen: zandstormen in Arizona, windhozen in Utah, Gypsy Moth Plagues in New York State, hittegolven in Louisiana - en ja, in Louisiana, tijdens de Mardi Grass, vergezeld van twee Vlaamse Schonen, Leentje en Anita die met mij waren meegereisd in de hoop van God weet wat? naar New Orleans, ik had hun zeker bloemen beloofd en wie weet, in het heetst van de strijd, beloofd hun bloemetje te plukken, wat ab-so-luut niet mocht, want geen en-kel meis-je mocht mij nog ooit krijgen, had ik mij voorgenomen, en kijk eens aan...

(...)
... na drie maanden over en 't weer gevlogen te hebben van en over Lisa uit New York State, via Tina in Chicago, over Nancy in San Francisco, om dan rechtstreeks naar mijn goede en trouwe Arlett Vereecke in LA af te reizen - kwam ik daar toch Sylvain Vanholme niet tegen zeker met zijn prachtig nieuw lief, die mij kwansuis vertelde van tussen zijn tweede ananas en zijn achtste Tequila Sunrise dat "Oestend", Oostende bedoelend, want daar was hij geboren, net zoals Arno Hintjens (oh joh hie!); en Jean- Marie Aerts (Schöne Frauen, oh joh hie!), "de schoonste stad van zijn leven was", waarop de Britse advocate van Elton Candle John in the Wind, antwoordde dat "Westend" van Mark Knöpfler eigenlijk toch veel mooier was, daar was zij dan weer geboren, en tenslotte gingen we allemaal maar naar huis. Jan, de hertog, en ik, we pakten onze valiezen en ik werd 's morgens wakker met het Schoonste Mexicaanse Meisje "Miles" uit mijn Leven, 21 jaar en al twee kinderen van een haar onbekende vader uit Tijuana, naast San Diego over de grens, en ze schonk mij - I was such a good lover - een van haar Poolse grootmoeder geërfd ovalen loodglas met gedroogde bloemen er in.

(...)
Jaja, Jan, de hertog, en ik: om 07.46 u. trokken we terug onze kleren terug aan en vertrokken met onze 5,5 Liter Pontiac Firebird richting Death Valley, met de bedoeling om terug echt tot onszelf te kunnen komen, maar we vergaten onze boots en vertrokken op blote voeten, met ongewassen lichaam, nou ja, nou ja, ik zeg zomaar wat, om na enkele mijlen ver over de grens halsoverkop in een motel te kruipen en pas drie dagen later wakker te worden, met een koppijn van je welste want de rook om ons hoofd was nog niet verdwenen. Alzo het begin van wat een rustig reisje moest worden.

(...)
"Young European couple is looking for domestic employment", adverteerde ik in "The Ridgefield County Gazette", want mijn geld was op - en aan mijn rekening in België die maandelijks werd gespijsd door ZAK, die ultieme tekenaar, die tijdens mijn afwezigheid mijn huisje in Grimbergen huurde - en daar moest dringend iets aan gedaan worden.
Vele telefoons kregen we, van rijke en sjieke madammen en meneren met kasten van huizen en zwembaden, en driveways en luxe, en Rita reed ons van de ene kandidaat naar de andere en we kozen het best betalende koppel: William Hammerstein en zijn 28 jaar jongere eega, wonende: Apple Hill Road, Bethel.
Zo'n weelde had ik alleen nog maar in die kak-Amerikaanse- kut-feuilletons gezien, en nu in het écht. Zeer sympathiek, die William. Ze namen ons aan voornamelijk omdat Barbara zo'n lief en mooi meisje was en omdat ik Frans kon spreken, zeer begeerde kwaliteit voor domestic employers. Ik mocht Mister Hammerstein al gauw "Bill" noemen, behalve in het bijzijn van zijn vrouw en van derden, en we kregen een maandelijkse pree om zelfs in Amerika u tegen te zeggen, en we hadden enkel vrijaf van zaterdagmiddag 2pm tot zondagavond 8 pm. En we moesten niet veel arbeid verrichten want voor alles hadden ze reeds lopende contracten: de lawn service, de parketboenerij, de ramenlapperij, de bomensnoeierij, de eet- en drankwarenleverancier, de parcelservice, etc.

(...)
"Dus wat zou ik dan eigenlijk moeten doen?", vroeg ik in mijn beste Engels, want dat we meertalig waren zouden ze geweten hebben.
"I'm not sure", zei Bill.
"Euh...maybe dat ik af en toe eens de BMW van madam, zijn eigen Mercedes of zijn Renault-stationwagon moest poetsen, en euh, als hij en madam naar LA of naar Cannes waren, de post binnenhalen en gesorteerd op zijn bureau leggen. That kind of things", zei Bill.
"In which office you want me to put your mail, Bill?".
"Euh... yes, which one, not the one at Broadway of course, hahahahhah, you got me?, Broadway, hahahahahah, euh... so maybe the one upstairs in the left wing", want daar had hij zijn persoonlijk bureau waar madam niet mocht komen, want madam had ook zo haar eigen bureau waar hij niet mocht komen; zo harmonisch waren zij wel.
Dus af en toe hing ik eens een schilderijtje op, of ik haalde er eentje af; ik maakte eens een schroefje vast, zo hier en daar; ik zette s avonds de alarminstallatie aan en s morgens weer uit; ik gaf adviezen over de kleur van Bill's das; en Barbara spoelde al eens een kopje om, verlegde een zilveren vorkje hier en daar; en ondertussen aten we hetzelfde eenvoudige voedsel als zij, lobster, prawns, oysters & ketchup, shark & fishbroth; en als tegenprestatie heb ik eens authentieke Vlaamse Hutsepot - met Brussels Sprouts en varkenspoten en -oren en al ("Where did you found that?") - gemaakt, want daar waren zij zo nieuwsgierig naar, naar The Original Flemish Cuisine, How Cute!, maar dat mocht ik nadien nooit meer doen want madam werd er winderig en draaierig van, en ondertussen hadden de Hammersteins, werkelijk heel lief, in minder dan één week tijd een eigen huisje voor ons laten bouwen met alles derop en deraan, je kon het niet geloven, zo blij waren ze met ons, alleen mochten we onze 15-jaar oude groene Buick (gekocht tijdens een hittegolf voor 500 US Dollar, en waarvan de airconditioning stuk was en enkel hete lucht afscheidde), die ik "Roger" had genoemd, niet zo vulgair stationeren voor ons huisje, zodat iedereen het kon zien, dat hun conciërges met een Buick reden, terwijl beide huizen totaal onzichtbaar waren van op de openbare weg, hun drive-way kronkelde immers zon 600 meter de heuvel op.
So what. Enfin, alles rozengeur en maneschijn.

(...)
Alleen, wat jammer nu toch, kwamen we vragen om een extra vrije dag, we hadden reeds kaartjes gereserveerd, 15th Row at 02.15 pm, om naar de retrospectieve van Picasso (May 22 through september 16, 1980) te gaan, waar ik een zeer aanbevelenswaardig boek heb aan overgehouden ("Pablo Picasso - A Retrospective", Edited by William Rubin; Chronology by Jane Fluegel. The Museum of Modern Art, New York. Distributed by New York Graphic Society, Boston. 436 paginas, 28 cm x 24 cm).

"Picasso?".
"Yes, Mister Hammerstein", mister, want madam was erbij. "And we read books too", zei ik alvast.
"You read books too?", hij verslikte zich haast in zijn Franse champagne en ik zag hem besmuikt naar me loeren met zon blik van: "These guys really aren't domestic employers with experience", iets wat ik later toegaf toen madam en ik al met mekaar overhoop lagen want ik was "spreading a gloominess around the house", waarop ik haar antwoordde dat zo'n gloominess nu juist erg sjiek stond en helemaal overeenkomstig het butlerwezen zoals omschreven door Jeeves van Bertie Wooster van P.G. Wodehouse.
"Bertie who?", vroeg ze.

(...)
Soms als de Hammersteins gasten hadden voor a party mocht ik - in butler-outfit - wérkelijk in the dining-room komen om Franse wijn in te schenken voor Erica Young, "the writer living down the lane", zo'n 15 miles verderop dus, of voor zeer beroemde, door bodyguards vergezelde acteurs en actrices, en dan sprak Mister Hammerstein me aan met glazige ogen in een onwaarschijnlijk brabbeltaaltje dat voor Frans moest doorgaan, en ik sprak heel beleefd terug in het Frans en zo konden die beroemde acteurs en actrices vol bewondering zien, how marvellous, dat Bill, their dearest friend, Frans kon spreken.

(...)
William Hammerstein was de kleinzoon van de Hammerstein van "Rodgers & Hammerstein", die zowat 65 % van de Amerikaanse musicals hadden geschreven en gecompo- neerd, alle rechten ervan bezaten, een eigen theater (steeds minstens een jaar op voorhand avond na avond volgeboekt) en Bill beheerde de aanzienlijke erfenis, wat geen noeste arbeid vereiste, hij had daar personeel voor.
Het kwam regelmatig voor dat hij zich wat vermoeid voelde terwijl op La Guardia of Kennedy een actricetje ging landen dat moest opgehaald worden en ik reed dan in zijn plaats dat fraaie ding eerst naar een hotel op Central Park South en vervolgens naar het "Hammerstein Theatre".
"Don't talk to her! Shes a big star", zei Bill en in uniform, met zwarte pet, en superglad geschoren en geaftershaved met Musk, how splendid!, en bescheiden en zedig uit mijn ogen kijkend gleed ik met his Merc Route 7 op, richting NYC.

Fragmenten uit de USA-dagboeken van Kris de Bruyne,

[TERUG]