BART PLOUVIER
Het hoofdstuk van BART PLOUVIER.

Op de punt van de landtong
Bart Plouvier. 20 maart, 1998

Op de punt van de landtong, net voor de in nevelen gehulde eilandjes puberteit aan hun paternoster beginnen, is het om onnaspeurbare redenen behoorlijk licht, en daar woont, naast anderen - waaronder nogal wat mensen zonder gezicht - Kris de Bruyne.

Als ik door twee oude dia's van een zingende Kris, die ik als verrekijker gebruik, die kant opkijk, zie ik hem heel duidelijk staan, schilderen, zitten, drinken, gitaarspelen, ruziën met zijn zus, liften, door de Bloemenlei wandelen, schilderen, lachen en een enkele keer huilen. Soms loop ik dat lange eind, over veel ezelsbruggetjes, door mijn herinneringen tot bij hem, tot op die plek die "Eind jaren 60" heet en dan herbeleven we samen de dwaze, grappige, trieste, drieste en onschuldige, nu soms onbegrijpelijke dingen die wij èn zij die ons moesten opvoeden, toen deden; met chronologie houden we weinig rekening, wat we vergeten zijn vullen we in, ieder naar eigen goeddunken, wat we toen droomden nemen we nu voor waarheid en we durven twijfelen aan wat zo goed als zeker werkelijkheid was: het Sint Norbertuscollege op de Leien in Antwerpen, de speelplaats, wij leunen tegen een muurtje in de zon, ik draag nog maar sinds enkele maanden een lange broek, linksboven is onze klas, er staan tralies voor de vensters, een studiemeester, de handen op de rug, de mondhoeken naar beneden getrokken alsof hij net Château Vinaigre gedronken heeft, ijsbeert heen en weer: een mager mannetje in een voor de tijd van het jaar veel te dikke jas en met op het puntje van zijn scherpe neus een gouden brilletje, wij zijn te oud en te stoer voor dwaze jongetjesspelletjes, bikkelen of balspelen zijn aan ons niet meer besteed, wij spelen mondharmonica, een bluesharp in do, "I am a Man of Constant Sorrow" - toen al! - Bob Dylan blaast mee, de studiemeester reageert als een hond op een hondenfluitje, wendt de steven, drinkt nog eens van zijn zakflesje azijn, komt met versnelde pas onze kant uit, neemt de instrumenten in beslag, Bob Dylan moet de speelplaats verlaten, wordt terug naar zijn lp gestuurd, de zwarte ondervestjes die we dragen, die we kochten bij het Leger des Heils en die een paar decennia geleden nog erg deftig waren, worden verbeurd verklaard, wij concluderen dat de studiemeester bang is, bang om uit de volgende bocht in de geschiedenis te vliegen, al zullen we dat toen wel anders verwoord hebben; van 's morgens vroeg tot 's avonds laat worden ons dingen verboden, creatief kunnen liegen en sjoemelen is belangrijk voor de ontplooiing van onze persoonlijkheid - zo sussen we ons geweten - zelfs wanneer het gaat om zoiets onnozels als de lengte van onze haren: die zijn langer dan mag, dus vóór we 's ochtends de Sint Norbertusgevangenis betreden, kammen we die éne centimeter dat we het met enige moeite over onze oren kunnen trekken, strak en nat naar achteren, dat gaat een hele poos goed, op de speelplaats willen we onze klasgenoten - weer veel jongens zonder gezicht, veel gezichten zonder naam en een paar namen zonder gezicht - wel eens imponeren en geven we onze vermomming prijs, wat behoorlijk riskant is want de studiemeester heeft roofvogel-ogen achter dat brilletje, we worden natuurlijk betrapt, worden voor crapuul gescholden en vlie- gen, nog tijdens de lesuren, naar de kapper met geld dat de prefect ons leent, bij onze vriendjes stijgt ons prestige, wij zijn blij dat we de les wiskunde missen, onze afkeer van orde en gezag wordt er alleen maar groter door, onze rapporten slechter, we presteren niet onder druk, van het gevangenisregime worden we niet "beter"; in Humo verschijnt een stuk over de lengte van mannenharen door de eeuwen heen, mét afbeeldingen van kunstenaars en verlichte geesten met pruiken of haar tot op de schouders, wij zwaaien er triomfantelijk mee voor de neus van ouders en leraars, hopen dat dit het onderwerp bespreekbaar zal maken, suggereren dat we net zo beroemd en slim zullen worden als we ons haar mogen laten groeien, dat iedereen toch weet dat de geschiedenis zich herhaalt, alles vergeefs uiteraard; we varen met een omgebouwd binnenschip naar Sint Amands aan de Schelde, naar ons eerste festival, waarschijnlijk mag het niet en hebben we weer een geraffineerde leugen bedacht, het is nog, of alweer, zomer maar het regent, met de weinige centen die we hebben, kopen we een pilsje, ééntje is dan nog genoeg om behoorlijk euforisch te worden, een roes is nog een échte roes, we worden nog niet suf van alcohol maar alert, lucide, en we zien en we horen dan wat we wllen zien en horen, aan boord wordt gemusiceerd: trompetten, trombones, klarinetten, oude jazz waarschijnlijk, The-New-Orleans-weet-ik-veel-band, maar Dylan is er ook weer, en Cisco Houston, Leadbelly, Woody Guthrie en Big Bill Broonzy, nog een half pilsje en Kris neemt het belangrijke besluit om te gaan sparen voor een gitaar, alleen die mondharmonica is niet meer genoeg, hij is Big Boy Williamson niet, de festivalweide is klein en drassig, er lopen hele mooie, absoluut onbereikbare meisjes rond in engelachtige maar doorweekte gewaden en parelsnoeren rond hun enkels, wij vergapen ons aan hen, Boudewijn De Groot zingt dat er andere tijden komen, wij hopen dat hij gelijk zal krijgen en Dylan staat in een hoekje bij het podium te grinniken, ik durf niet, maar na het optreden stapt Kris op De Groot af en slaat een praatje met hem alsof ze mekaar al jaren kennen, alsof hij een gitaarvirtuoos is in plaats van een snotneus die voor zijn eerste instrument wil sparen, alsof ze al de collega's zijn die ze later zullen worden, het binnenschip is weg en we varen terug naar huis in een gele onderzeeër waar een Engels rockgroepje later nog een liedje zal over schrijven, ik blijf bij de De Bruynes logeren, thuisgekomen bakken we een dikke omelet, ik maak met een vork brede krassen in de tefalpan, weet ik veel dat je met een houten lepel in zo'n pan moet roeren wij hebben thuis van die ouderwetse, zwarte, zware pannen 's ochtends wordt de vandalenstreek ontdekt en Kris' moeder veegt mij de mantel uit alsof ik de bovenverdieping van het huis heb laten afbranden, vader De Bruyne krijgen we weinig te zien, die zit in zijn bureau en schrijft; ik mag 's avonds wel eens een keer de deur uit maar moet dan deftig gekleed zijn, dat wil in de eerste plaats zeggen: géén jeansbroek, die dient om in de tuin te werken en te klussen, ik mag er zelfs niet mee tot bij de bakker lopen, dus gooi ik voor ik vertrek mijn Wrangler en de brede broeksband met grote gesp waar ik zo trots op ben door het raam, kleed mij om onder onze treurwilg, verstop de broek-met-vouw in het tuinhuisje en lift naar de stad - met de 7 fr. die de bus zou kosten kan ik een pint kopen - ik word eigenlijk verondersteld om in de plaatselijke jeugdclub, onder toezicht van de onderpastoor en chiroleiders met seksuele neigingen die mij vreemd zijn, cola te drinken en een spelletje schaak te spelen, onnozel te doen met de enkele meisjes die ook in de club komen en zich verhouden tot de festivalnimfen als viswijven tot feeën, maar beland in de Vagant, een keldercafé op de Oude Koornmarkt, daar treedt Derroll Adams op, een Orpheus uit de Amerikaanse mythologie, een idool, een levende held, een halfgod, neergestreken in de Sinjorenstad, Kris en ik komen behoorlijk onder de indruk, de man op het podium is zo oud als mijn vader, draagt een jeansbroek, laarzen en een zwarte cowboyhoed, staat vol tatoeages, zuipt bier met jenever en speelt banjo - zijn alle mannen van 45 dan toch geen klootzakken? - deze - "the man with the tattoo on his hand" - is zelfs een goeie vriend van Donovan, heeft met Bob Dylan in diens "Dont Look Back" gespeeld, een scène waarin iemand een glas door het raam heeft gegooid en Derroll een furieuze Dylan probeert te kalmeren, dat bewijzen niet alleen de beelden maar wordt bevestigd door Dylan himself die in een hoekje van de kelder staat te knikken en even later zachtjes "I was born in Portland Town" meezingt, ik denk dat Kris ook op Derroll zal toestappen om een praatje te maken maar dat durft hij niet, er zijn grenzen aan zijn lef, en ik neem een besluit dat ook behoorlijk ingrijpend zal blijken: ik ga sparen voor een banjo, dertig jaar later hangt er nog steeds een aan de muur van mijn schrijfkamer...

[TERUG]

[TERUG]